Leerstijlen-test

Deze test heeft tot doel meer te weten te komen over uw eigen leergewoonten. 

De test is niet een vaststelling van hoe groot uw vermogen tot leren is; zij geeft een indicatie van de wijze waarop u gewoon bent problemen op te lossen, c.q. te leren, over uw leerstijl. Het is dus een diagnostisch, geen waarderend instrument.

Mensen verschillen nogal in de wijze waarop zij leren, c.q. problemen oplossen. Het eerste deel van de test verschaft u persoonlijk inzicht. Het tweede deel bevat veel nuttige suggesties om uw eigen leerstijl aan te scherpen en andere leerstijlen te ontwikkelen.

In een leerproces dat men gezamenlijk met anderen volgt, werkt het bevorderend wanneer de groepsleden zicht hebben op hoe hun stijlen overeenkomen en verschillen. Men kan daarmee dan rekening houden en waar nodig ondersteuning bieden. Er treedt meer synergie op en onnodige conflicten worden voorkomen.

 

De test gaat als volgt in zijn werk:

Op de volgende bladzijden staan negen groepjes van vier uitspraken.

Gevraagd wordt om deze uitspraken per groep te rangschikken van 4 tot 1.

Ga dus na welke van de vier uitspraken het meest kenmerkend is voor uw gedrag, vooral uw gedrag in (allerlei) leer-, c.q. werksituaties.

Geef de meest kenmerkende een 4, de daaropvolgende een 3, enzovoort; de minst kenmerkende krijgt een 1. 

Sommige uitspraken zult u wellicht moeilijk een verschillend rangordecijfer kunnen toekennen. Toch wordt gevraagd ze elk een verschillende score te geven.

Vul uw oordeel in in de hokjes onder elke groep.

1.       a.  Je zoekt naar verschillen en onderscheidingen.

          b.  Je wilt in eerste instantie eens uitproberen.

          c.  Je voelt jezelf erbij betrokken.

          d.  Je bent gericht op het nut voor praktische oefening.

a

b

c

d

1

3

 2

 

2.       a.  Je laat de dingen op je af komen ongeacht wat het is.

          b.  Je bent vooral gericht op wat relevant is.

          c.  Je analyseert de situatie.

          d.  Je kent geen waarde-oordelen toe, je kiest niet voor bepaalde standpunten.

a

b

c

d

2

3

4

1

 

3.       a.  Je let vooral op wat je zelf ervaart en voelt.

          b.  Je kijkt vooral, je let op hetgeen je gewaar wordt.

          c.  Je denkt er vooral over na.

          d.  Je bent vooral bezig, je wilt er iets aan doen.

a

b

c

d

2

1

3

4

 

4.       a. Je neemt dingen zoals ze zijn.

          b.  Je neemt risico’s met wat je doet of zegt.

          c.  Je kent waarde-oordelen toe.

          d.  Je probeert je steeds sterk bewust te zijn van wat er gebeurt.

a

b

c

d

1

 

5.       a.  Je gaat vooral intuïtief te werk.

          b.  Je bent vooral gericht op resultaten.

          c.  Je probeert in   eerste instantie logisch te denken.

          d.  Je stelt jezelf vooral vragen.

a

b

c

d

1

 

6.       a.  Je vindt abstractie en begripsvorming belangrijk.

          b.  Je kijkt en luistert vooral.

          c.  Je hebt voorkeur voor het concrete.

          d.  Je bent vooral actief en praktisch bezig.

a

b

c

d

1

 

7.       a.  Je bent met name op het heden, het hier en nu gericht.

          b.  Je laat eerst alles nog eens door je hoofd gaan en denkt erover na.

          c.  Je bent met name gericht op wat er nog gaat (zal) gebeuren.

          d.  Je bent vooral pragmatisch ingesteld.

a

b

c

d

1

 

8.       a.  Je bent vooral gericht op het opdoen van ervaringen.

          b.  Je bent vooral luisterend en kijkend gegevens aan het verzamelen.

       c.  Je brengt vooral verschijnselen onder in een samenhangend begrippenkader.

       d.  Je bent vooral ideeën en vermoedens aan het toetsen en experimenteert met je gedrag in situaties.

a

b

c

d

4

 

9.       a.  Wat er gebeurt, beleef je vooral gevoelsmatig en intens.

          b.  Je houdt bij voorkeur enige afstand t.a.v. wat er gebeurt.

          c.  Je benadert wat er gebeurt met name verstandelijk.

          d.  Je bent actief medeverantwoordelijk voor wat er gebeurt.

a

b

c

d

3

  

Scoring

Wanneer u bij alle negen groepen uw rangschikking hebt ingevuld, neemt u uw scores over in onderstaande tabel.

Daar waar een kruisje staat, vult u niets in. Maak bij dit overnemen geen vergissingen.

Vervolgens telt u de scores per kolom op.

TABEL

 

a

b

c

d

1

X

4

X

2

2

X

X

3

2

4

X

X

5

X

X

6

X

X

7

X

8

9

X

T

11

12 

18 

18 

 
Kolom a betreft de Concrete Ervaring en bestaat uit de nummers 2, 3, 4, 5, 7 en 8. Markeer de totaalscore (in rij T) voor Concrete Ervaring op de bovenste verticale as in de figuur hieronder.

Kolom b betreft de Overdenkende Observatie en bestaat uit de nummers 1, 3, 6, 7, 8 en 9. Markeer de totaalscore op de rechter horizontale as.

Kolom c betreft de Abstracte Begripsvorming en bestaat uit de nummers 2, 3, 4, 5, 8 en 9. Markeer de totaalscore op de onderste verticale as.

Kolom d betreft Actief Experimenteren en bestaat uit de nummers 1, 3, 6, 7, 8 en 9. Markeer de totaalscore op de linker horizontale as.

Verbind de markeringen tenslotte door middel van rechte lijnen. Arceer de ontstane driehoeken.